De geschiedenis van de Nederlands Hervormde Andreaskerk te Spijk (Groningen) is beschreven door de heer Jakob B. Bronsema. De informatie op deze website is met zijn goedkeuring grotendeels overgenomen.

 

De Nederlands Hervormde Andreaskerk te Spijk.

De eertijds R.K. Kerk is in oorsprong een romano-gotische zaalkerk, met een rechte koorsluiting en over het geheel een zadeldak tussen de topgevels.

Het zal dateren uit de eerste helft van de 13e eeuw en is gebouwd op het hoogste punt van de waarschijnlijk rond Christus' geboorte opgeworpen dorpswierde. Kerk en kerkhof zijn omgeven door een ringvijver, de oorspronkelijk gemeenschappelijke drinkwaterdobbe; het oude godshuis staat dus op een eilandje. Een stenen dam, en vroeger ook een bruggetje, geeft toegang tot deze gewijde plek.

Rondom 't Loug, de ringweg langs de omgrachting, staan de huizen en de molen Ceres schilderachtig en intiem tegen de wierdehelling gegroepeerd. Mede door deze gelukkige ligging en de karakteristieke, concentrische aanleg, is het dorp Spijk wel het mooiste kerkringdorp van de Groninger Ommelanden te noemen.

 

De oudste vermelding van de parochie Spijk dateert van 24 mei 1397:

et parrochiani in Spyke …............. .

 

Blijkens een kerkzegel van 1534 was de kerk gewijd aan de apostel Andreas. Het opschrift van dit zegel luidt:

DUTZUMER WESEWE CURATIS IN SPIC.

Beeltenis: op een schuinkruis de apostel Andreas, uitrijzende boven een schild beladen met een schuin- of Andreaskruis, in het schildhoofd de initialen van de pastoor: D.W.

Het is niet onmogelijk dat deze pastoor afkomstig was uit de plaats Wesuse, bij Haren (Ems), in Nedersaksen (Dld.).

De huidige kerk werd herbouwd in het jaar 1676, nadat enige jaren eerder de oude kerk met enige belendende huizen door een noodlottig toeval in vlammen was opgegaan. Alleen de lengtemuren en de westgevel bleven toen grotendeels behouden. Door het inbreken van de drie gotische vensters aan de zuidzijde, mogelijk in de 19e eeuw, en door de grote inbraak i.v.m. de lagere noorderaanbouw, het z.g. nije end in 1848, werden deze in ernstige mate verminkt. Bij de herbouw in 1676 werd de oorspronkelijke vlakke oostmuur gesloopt en vervangen door het driezijdig gesloten koor, een ongebruikelijke oplossing voor een protestantse kerk dat immers geen altaarruimte nodig behoeft.

De slank oprijzende toren werd in 1902 onder architectuur van Oeds de Leeuw Wieland te Loppersum door de aannemer Eisses te Losdorp gebouwd. Wat de spits betreft liet deze zich inspireren door de toren van Uithuizermeeden, die in de jaren 1717-1726 gebouwd was door de Groningse stadsbouwmeester Albert Meyer, welke de toren van de A-kerk te Groningen in verkleinde vorm copieerde. De door brand verwoeste toren van Uithuizermeeden werd in 1896 nu door bovengenoemde De Leeuw Wieland herbouwd. Mede door deze omstandigheid is de totstandkoming van de vormgeving door deze architect van de Spijkster toren, kleinkind dus van de A-kerktoren te Groningen zes jaar later, dan ook zeer begrijpelijk.

Het diende ter vervanging van de in 1711 opgerichte dakruiter.

De bakstenen toren kreeg een hoekvertanding met gestucte blokken, welke sterk afsteken bij het donkerrode metselwerk. Er zijn drie met fronton bekroonde wijzerplaten. De houten spits bestaat uit twee open geledingen: de eerste rijst op uit een balustrade, de tweede uit het koepeldak van de eerste. De overgang van de vierkante onderbouw naar de achtkante bovenbouw wordt verzacht door het inzwenken van de zuilen aan de basis.

Omdat de huidige toren werd ingebouwd is ook de 13e eeuwse westgevel, met mogelijk siermetselwerk, vensters en deur, vrijwel geheel verdwenen. Slechts aan de binnenzijde, in de ontstane nissen, links en rechts van de toren, zijn sporen van de 13e eeuwse hoekpilasters.

Een gedenksteen boven de toreningang vermeldt:

INPLAATS VAN DE BOUWVALLIGE TORENSPITS OP DE KERK VAN HET JAAR 1711 IS DEZE TOREN GEBOUWD TOEN JAN  HAMMINGA, ROELF DIJKHUIZEN EN JAN VOORTHUIS KERKVOOGDEN EN JAN WESTERDIJK, JACOB NORG, ALJE HOVING, BENE LANTING , JOZUA ROWAAN EN Ds LAMBERTUS OKKEN NOTABELEN WAREN.

ANNO 1902.

HEERE, IK HEB LIEF DE WONING VAN UWS HUIZES Ps. -26:8.

 

 

 

Aan de zuidkant vermeldt een steen in de toren:HKS-gedenksteen-ubbo-pieter-okken

UBBO PIETER OKKEN OUD 6 JAAR;

HEEFT DEN EERSTEN STEEN GELEGD DEN 12 AUG. -1902.

 

Op de toren prijkt de leeuw van de v.m. Dakruiter, een herinnering aan het geslacht Ubbena, zij waren collator en Heer van Spijk.

In de toren bevond zich een klok met een middellijn van 95,5 cm. en een hoogte van 76 plus 20 cm. Het opschrift luidde:

 

ANNO 1709 MONEO TOT SPYCK, TITIE GOOSSENS HEEFT MIJ GEGOOTEN RAS DOEN DOEN HIJ NOG FREIER WAS.

In 1943 werd deze klok door de Duitse bezetters geroofd. Het werd in 1947 vervangen door een klok met het opschrift:

GEGOTEN IN 1947 VOOR DE N.H. GEM. TE SPIJK DOOR JACOBUS VAN BERGEN TE MIDWOLDA. LEVENDEN VEREEN IK. DODEN BEWEEN IK.

Sinds 1961 wordt diens sonore bronzen geluid omkranst door de speelse klanken van een klokkenspel.

In de jaren 1969-1970 werd de kerk onder architectuur van de heer P.L. De Vrieze te Groningen grondig gerestaureerd. Deze restauratie bood gelegenheid tot het instellen van een archeologisch onderzoek, dat van 27 mei – 20 juni 1969 plaatsvond. Het rapport vermeldt o.a. het volgende:

Zoals verwacht bleek de kerk ter plaatse van de huidige driezijdige sluiting eertijds rechthoekig gesloten te zijn geweest. De onderste laag van de voormalige oostmuur was 1.40 mtr. Breed en bestond uit baksteen (formaat 30/32 x 15 x 9 cm.). De fundering van deze muur bestond uit een sleuf waarin verschillende lagen klei waren gestampt. Het hoofdaltaar in het midden van het koor was op gelijke wijze gefundeerd. Ten westen hiervan lag een stenen drempel aan weerszijden waarvan tegen de noord- en de zuidmuur een zijaltaar geplaatst was, die vervolgens in een jongere periode werden vergroot. Voor de ingang in de noordgevel werden in het interieur enkele gaten aangetroffen, waarvan de grootste (ca. 2 x 1.60 mtr. met een diepte van 1.10 mtr.) – evenals de andere, puin bevatte, doch tevens schervan van kogelpottenaardewerk en beenderen etc. van een rund opleverde.

Onder de bestaande vloer werden de resten van drie  voorgangers ontdekt, waarvan de oudste brandsporen vertoonde. Mogelijk zijn deze stille getuigen van de brand die enige jaren vóór 1676 in de kerk heeft gewoed.

Aan de buitenzijde van het gebouw werden aan de westkant geen resten van een oudere toren gevonden. Van het graven van een sleuf over het kerkhof om de opbouw te bestuderen werd vanwege de intensieve begravingen en de hoge waterstand afgezien.

Naast fundamenten van het altaar – even ver verwijderd van de noord-, zuid- en westgevel – nabij de vroegere toegangen in beide langsgevels, een bakstenen constructie aangetroffen.

Het betreft een restant van een doopvontsokkel. De diameter van het fenomeen is 2.20 mtr. De opbouw die deels nog twee steen hoog is, is wat rommelig. Het uitgespaarde centrum is ca. 80 x 100 cm. Vorm en situering kenmerken dit type vondsten als sokkels voor doopvonten. Een dergelijke vondst met vrijwel identieke ligging deed men in 1992 in de kerk van Feerwerd.

Aan de hand van de hoogteligging van het basement in relatie tot de vloerhoogten kan worden opgemerkt dat het voetstuk niet uit de stichtingstijd, plm. 1225, van het kerkgebouw stamt. Mede gezien het niveau van het fundament van een zijaltaar komt als voorlopige datering de veertiende of vijftiende eeuw in aanmerking.

De verklaring van de functie van het doopvont schuilt in de liturgie van de R.K. Kerk. Hierin had de doophandeling haar vaste plaats. Ook de plek waar deze in de kerk plaatsvond lag vast. In de voor-Reformatorische periode stond het doopvont in het westen van de kerk, vlak bij de hoofdingang.

De situering van het vont in het westen had zowel een liturgische als een symbolische reden.

De liturgische gaat terug tot het vroege christendom: de niet-ingewijde hoorde achterin de kerk, zoniet daarbuiten. De symbolische reden hangt hiermee nauw samen, want het kerkgebouw werd beschouwd als een afspiegeling van het christelijk universum, waartoe de doop toegang gaf. Door middel van de doop – het eerste sacrament – deed de dopeling immers zijn intrede in de christelijke gemeenschap en stonden de andere sacramenten en daarmee het heil van de kerk voor hem open. Voor een doopplechtigheid verzamelden de gelovigen zich dan ook voor de ingang. Daar speelde zich een wezenlijk deel van het ritueel af. De feitelijke doop bij het vont duurde relatief kort. Het is aan te nemen dat het bijbehorende vont te Spijk behoorde tot het type op pootjes die al dan niet op een standring stonden en was waarschijnlijk gegoten uit brons.

 

Een element waaruit de functie van doopvontsokkel naar voren treedt, is het gat in het midden. Het is de afvoer waardoor bij het legen van het vont het gewijde water in gewijde grond kon weglopen. Soms in de ondergrond onder het sokkelgat een schacht of een in andere vorm gegraven ruimte: het sacrarium, het heilig putje, dat de functie heeft van zink- of zakput. De wanden van zo´n putje zijn meestal met steen bekleed. Daar waar het water voldoende snel kon wegzakken was zo´n put natuurlijk niet nodig. Het fenomeen is vergelijkbaar met de piscina en haar afvoer, die ook in de kerk van Spijk bewaard bleef. Met water dat gewijd was of met gewijde zaken in aanraking was geweest, werd in de middeleeuwen volgens kerkelijk voorschrift zorgvuldig omgegaan: na gebruik diende het in gewijde grond weg te vloeien. De geestelijke liet letterlijk Gods water over Gods akker lopen. Doopwater werd maar eenmaal per jaar ververst en gewijd, en wel aan de vooravond van Pasen of Pinksteren, waardoor die handeling in het teken stond van de Opstanding of Hemelvaart van Christus.

Het is eigenlijk te betreuren dat bij de restauratie van de kerk de vroegere situering van het altaar, bijaltaren de koorsluiting van vóór 1676, de doorbraak naar het nije end en van het doopvontbasement niet in de huidige vloer zijn gemarkeerd. Het zou in hoge mate mee doen herinneren aan de oudste en vóórreformatorische periode van de Andreaskerk.

Tijdens de restauratiewerkzaamheden kwamen verder verschillende vondsten tevoorschijn die een beeld geven hoe de middeleeuwse kerk er oorspronkelijk moet hebben uitgezien. De oude 17e eeuwse dakspanten en de jongere sporen, alsmede de oude blauw geglazuurde dakpannen werden opnieuw verwerkt. De oude vergane gietijzeren goot werd vervangen door een eenvoudig geprofileerde houten goot op klossen en voorzien van zink.

Uit de gevonden afgekapte, half cirkelvormige in de zijmuren aangetroffen stenen kan worden opgemaakt dat de middeleeuwse kerk in oorsprong stenen gewelven bezaten. Onder het hoogste punt van elk gewelf zat in de lengtemuren van het schip een klein smal rondboograampje, aan de buitenzijde geflankeerd door twee gelijkvormige blinde raampjes, zgn. blindnissen waarvan er tijdens het onderzoek aan de noordgevel, vlak bij de toren twee tevoorschijn zijn gekomen. Merkwaardig is dat deze nissen bepleisterd zijn geweest en ten dele van een oranje-rode kleur zijn voorzien. Dezelfde kleurige behandeling vindt men aan de 13e eeuwse noordgevel van de Martinikerk te Groningen.

Aan de westzijde van de noordwand kwamen meerdere vondsten tevoorschijn, n.l. een dichtgemaakte ingang, compleet met balkgaten. Links daarvan een fries van rondboognissen. Een inwendige geleding in twee zones komt in Oost-Groningen vaker voor, o.a. te Bierum en te Krewerd. Linksboven deze ingang bevindt zich het eerder romaanse boograampje dat plm. 50 x 200 cm. meet.

Zoals reeds vermeld is door de aanbouw van het nije end in 1848 helaas een groot deel van de oorspronkelijke noordmuur met rondboogramen en blindnissen verdwenen. Dichtbij het koor van 1676 kwamen opnieuw muurnissen en een raam tevoorschijn. De interessantste vondst is vlak bij de grond geplaatste muurnis, welke als wasbekken of piscina heeft dienst gedaan, voor het wassen van de heilige vaten tijdens de periode dat de rooms-katholieke eredienst gevierd werd.

Ook de zuidgevel vertoont interessante sporen van een decoratieve wandbehandeling, al is hier ook veel verloren gegaan door het inbreken van de ook reeds genoemde grote gotische vensters. Ook hier een gedichte ingang, eveneens met balkgaten, onder een hoefijzerboog. Verder een blindnis met rondboogjes, een hagioscoop dat vermoedelijk in de 15e eeuw aangebracht werd en waarvan de dagkanten als verlichting gericht zijn op het zijaltaar.

De ingestorte gewelven werden in 1676 vervangen door een balklaag op eenvoudige consoles, afgedekt door een vlak houten zoldering, welke donker groen-blauw was geschilderd. Deze zoldering werd naderhand afgedekt met een schrotenplafond, mogelijk nog vooraf gegaan door een gestucadoord rietplafond. Bij het verwijderen van het schrotenplafond bleek aan de zuidmuur op de pleisterlaag te zijn geschreven:

P. Pothof 1902, het jaar van de torenbouw. Waarschijnlijk heeft deze timmerman het schrotenplafond toen aangebracht. Vlak daarbij kon men lezen: Speckmann 1883.

Zoals bij de oudste kerken gebruikelijk, liggen de ingangen niet recht tegenover elkaar: de zuidelijke bevindt zich in het midden van de gevel, de noordelijke meer naar het westen. Zeer interessant is de aan de buitenkant, zuidzijde, opengelegde blindnis, de oude zuidelijke ingang, welke bepleisterd is en van een witte voegbeschildering is voorzien. Dit is een in de bouwkunst zeer veel voorkomende decoratieve behandeling van vlak pleisterwerk, dat men oningedeeld niet fraai vond. Met potlood stond hierop geschreven:

...... A.P. Ant(oine du Cloux), predikant 1866.

Onder de vlak onder de goot zittende, door een rondboog afgedekte blindnis vertoonde dezelfde voegbeschildering, nu echter met zwarte voegen. Of deze beschildering uit de bouwtijd - begin 13e eeuw - dateert, valt moeilijk na te gaan, mogelijk dat dit in latere eeuwen heeft plaatsgevonden. Aangezien al deze zaken volgens de inzichten van de restauratiearchitect niet waren te handhaven, zijn de nissen aan de buitenkant weer dichtgemetseld en is de kerk geheel bepleisterd en voorzien van een ingekraste voegverdeling, zodat er a.h.w. een soort imitatie natuursteen blokken zijn ontstaan; een bouwwijze zoals die in de 19e eeuw veelvuldig werd toegepast.

Mede door bovengenoemde vondsten, die buiten aan de noord-westzijde en binnen grotendeels behouden konden blijven, heeft het bouwwerk relatief veel van zijn romano-gotische architectuur behouden. Ook de oude balkenzoldering van 1676 werd weer zichtbaar gemaakt en voorzien van de originele donker blauw-groene kleur. Het pleisterwerk is zodanig aangebracht dat het het golvende muuroppervlak volgt en de oude gewelfaanzetten, de z.g. inkassingen weer herkenbaar zijn. Allen aan de noord-oostzijde is dit niet gelukt.

In het nije end is de galerij met enig snijwerk en met de geschilderde zuilen in trompe d'oeil ui de 2e helft van de 17e eeuw opgesteld. Voor de restauratie vond deze een plaats tegen de westelijke torenwand.

 

De eikenhouten preekstoel dateert van 1902, er zijn echter delen van een vroegere 17e eeuwse in verwerkt. Een der panelen vertoont een pelikaan met jongen. De pelikaan is het zinnebeeld der hoogste zelfopofferende liefde, de rode snavelpunt en de kale plek op de borst, daar waar de snavel steeds overheen schuurt, leidde tot de oude legende, dat de vogel zich de borst openpikte om zijn jongen met zijn bloed te voeden. Christus werd reeds in de oude christelijke liederen met een pelikaan vergeleken:

Pie Pellicane, Jesu Domini, d.i. Tedere Pelikaan, Here Jezus.

Onder het klankbord las men tot 1936:

ANNO 1902. DEZE PREEKSTOEL IS GEMAAKT DOOR H.W. LAMÉRUS TE GRONINGEN, TOE N Ds. LAMBERTUS OKKEN PREDIKANT EN JAN HAMMINGA, ROELF DIJKHUIZEN EN JAN VOORTHUIS KERKVOOGDEN WAREN. 2 TIM. 4:2; PREDIK HET WOORD: HOUD AAN, TIJDELIJK; ONTIJDELIJK; WEDERLEG; BESTRAF, VERMAAN IN ALLE LANKMOEDIGHEID, EN LEER!

 

Bij het plaatsen van de nieuwe preekstoel, waarvan de kosten f. 1.000,- bedroegen, werd een balk aangetroffen met het jaartal 1787, welke toen kennelijk was aangebracht ter ondersteuning.

In 1936 schijnt de preekstoel reeds weer aan enige vernieuwing toe te zijn geweest. In ieder geval meende de toenmalige predikant het volgende opschrift te moeten laten aanbrengen:

ANNO 1936. DEZE KANSEL IS HERBOUWD IN 1936 DOOR M.J. BOEKHOUDT, ALHIER. PREDIKANT WAS Ds. F.C. WILLEKENS, KERKVOOGDEN WAREN: K. BUSZ, JAC van der LAAN, A. WESTING. PREDIK HET WOORD ! 2 TIM. 4:2a.

 

 

Het orgel werd 3 augustus 1884 in gebruik genomen en vervaardigd door de firma L. van Dam & Zonen te Leeuwarden, voor de somma van f. 4400,-. Bij de restauratie van 1970 werd het orgel, dat oorspronkelijk in het koor was opgesteld, naar de torenwand verplaatst. Het heeft twee klavieren met onder 12, boven 8 registers en een aangehangen pedaal.

 

Van een Heren-bank is een opzetstuk met de alliantiewapens van het echtpaar Cornelis van Maneil, overl. 1799, gehuwd 1769 met Josina Petronella Alberda, overl. 1810. De Maneils zullen primaire collator zijn geweest, ze resideerden op de borg Luinga te Bierum. In 1988 werd het gerestaureerd en opnieuw geschilderd.

Verder in de kerk een rouwbord voor Jr. Reynt Alberda, overl. 1625, in 1986 postuum vervaardigd.

In 1981 werd een replica van een mogelijk verloren gegaan rouwbord vervaardigd. Het betreft het bord voor Willem Ubbena, overl. 1721 en diens broer Reint Ubbena, overl. 1723, de laatste Heer van Spijk. De vertaling van de latijnse tekst op dit bord luidt:

MIDDEN IN HET LEVEN STAAN WIJ IN DE DOOD; WIE KUNNEN WIJ TOT ONZE HELPER ZOEKEN BUITEN U, O HEER. (Latijnse tekst van Notker Balbulus, 840-912, ?).

 

Het geslacht Alberda zal de borg aan de Nesweg hebben bewoond. De jonkers Ubbena de beige borgen ten oosten en zuiden van het dorp. De grachten en singels hiervan zijn nog gedeeltelijk aanwezig en in de schuur van de zuidelijke boerderij Ubbenaheerd vinden we nog een gebeeldhouwd kopje. Van deze beide Ubbena's, die de navolgers van de Alberda's zullen zijn geweest, liggen de grafzerken in de kerk. Verder die van hun voorgangers Jan Ubbena, overl. 1639 en Willem Ubbena, overl. 1654.

De grafzerk voor Elisabeth Alberda, overl. v. 11 sept. 1653, echtgenote van Willem Ubbena, kwam bij de restauratie in 1969-1970 tevoorschijn. Door onachtzaamheid ging het echter weer verloren.

In en om de kerk nog een aantal grafzerken uit de 17e, 18e en 19e eeuw.

 

Een eiken paneel vermeldt de namen van de predikanten die sinds de Reformatie de gemeente van Spijk gediend hebben. De eerste dominee Rudolph Heemse, was in 1594 als pastoor overgegaan tot de nije leer.

 

In de kerk hangen een aantal wandborden: op het eerste bord een gestileerde afbeelding van de sarcofaag van Simon van Syrene, die werd gedwongen om Christus' kruis te dragen. In Marcus 15:21 wordt hij de vader van Alexander en Rufus genoemd, die zeer waarschijnlijk bekende christenen zijn geweest. De sarcofaag dateert uit de tweede helft van de vierde eeuw en bevindt zich in het Lateraans Museum te Rome. Op deze passie-sarcofagen neemt het kruis de centrale plaats in, niet als een herinnering aan Jezus' lijden en sterven, maar als belijdenis aan Christus' overwinning. Het is het zegevierende teken der Opstanding. Het roept niet de doodsstrijd op, maar het uur der overwinning: de Romeinse soldaten slapen voor het graf dat leeg is. Vanaf de eerste eeuw na Christus was het kruis het geheime teken waaraan de Christenen elkaar herkenden. Het kruis is hier gekroond met de van doornenkroon geworden lauwerkrans, welke het Christus-monogram omvat: de beginletters van het Griekse Christos (Christus), de X (chi) en P (rho). Het Christus-monogram kwam als christelijk symbool reeds voor in de derde eeuw. Het wordt, zoals ook hier, vaak geflankeerd door twee duiven, symbool van de Heilige Geest, Liefde en Vrede. Het geheel is een indrukwekkend symbool van overwinning en triomf, dat vanaf de oudste Christenheid tot ons komt.

 

Op het tweede bord een samenvatting van de magistrale poëtische proloog uit het Evangelie van Johannes 1: 1-18, hetwelk ons onweerstaanbaar leidt naar de ondoorgrondelijke diepten van het gewijde mysterie: het vleesgeworden Woord.

Daarboven het symbool van deze evangelist: de adelaar. Johannes wordt als zodanig verzinnebeeld door de gedachten in zijn Evangelie vervat, een hoge vlucht nemen.

 

Verder een bord in kruisvorm met de tekst van het Onze Vader, omgeven met de Latijnse en Griekse tekst.

 

Een plaquette herinnert aan de vele watervloeden die het kerspel Spijk hebben geteisterd, met name de Sint Maartensvloed van 1686 en de Kerstvloed van 1717.

 

Verder een memoriebord voor: de geslachten der eeuwen die in en om de kerk - sinds 1859 elders - hun laatste rustplaats vonden.

 

Tenslotte hangt in de kerk een circa drie keer vergroot replica van een miniatuur uit het Evangelarium van Hertog Hendrik de Leeuw. Het werd omstreeks 1175 geschreven en geschilderd door de monnik Herimann uit het Benedikteiner klooster Helmarshausen aan de Diemel. Het bevindt zich in de Bibliotheca Augusta der Herzog-August Bibliothek te Wolfenbüttel (Dld.).

Het stelt voor: het Heilig Avondmaal en de Voetwassing; de Heer heeft zich bekleed met kracht en zich omgord met macht. God werd mens, de hoogste werd de nederigste.

In de consistoriekamer vinden we enige afbeeldingen e.d. betrekking hebbende op de historie van de kerk.

Het Avondmaalszilver bestaat uit twee bekers. De ene met de inscriptie:

DE NACHTMAALSBEEKER TOT SPIJK, FREERK GEERTS KERKVOOGD IN DER TYD, ANNO 1730.

(Freerk Geerts was boer op Vierhuizen, (Quellerborch), thans Vierhuizerweg 8).

 

Op de tweede beker:

Spijk 1873. Ds. A.P.A. du Cloux, W.J. Bakker, K.A. Hoving, H.J. Jensema, Kerkvoogden.

Eveneens uit 1873 een schenkkan en twee borden van tin.

 

 

ALTAAR:

 

Rechtsonder de preekstoel liggen een tweetal brokstukken van rode Bremer zandsteen. Ook buiten, aan de zuidzijde van de kerk bevinden zich, in gezelschap van een aantal oude grafzerken, een tweetal van dergelijke stukken. Ze zijn voorzien van flauw zichtbare wijdingskruisjes, en als zodanig te herkennen als fragmenten van een altaar-mensa. Mensa, d.w.z. tafel, n.l. voor de Maaltijd des Heren.

Een altaartafel is voorzien van vijf wijdingskruisjes, welke verwijzen naar de vijf wonden van Jezus Christus aan het kruis. Het altaarblad van de toen rooms-katholieke Andreaskerk steunde waarschijnlijk op vier zuilen, of werd gedragen door rondom vier afsluitende platen, of steunend op een gemetseld blok.

Het zou wenselijk zijn dat ook de fragmenten van de mensa, welke waarschijnlijk door onkundigheid buiten op het kerkhof terecht zijn gekomen, bij de andere delen tot een eenheid in de kerk worden gevoegd. Het is een eerbiedwaardig reliek uit de vroegste Christenheid en historie van de kerk te Spijk.

 

 

Aan de buitenkant van de westmuur van het nije end een steen met de inscriptie:

 

4 EL 50 dm. boven W.P.

-----------------------------

5 EL 31 dm. boven A.P.

 

RUDOLPHUS HEEMSE

In de eerste synode van het jaar 1595 werden elf pastoors ontboden die het priesterkleed wensten af te leggen. Onder hen was de Spijkster pastoor Rudolphus Heemse, die hiermede dus de eerste reformatorische predikant van Spijk werd.

Op het Rijksarchief te Groningen - Staten Arch., inv. nr. 456 - berust van hem een brief van 1595 waarin hij aan Denn Edelen Erentfesten und Erb(aren) und ser Discreten heren commiteerden der Stad end Omlanden,, etc. verzoekt om vrijdom van schattingen. Hij schrijft dan o.a. dat hij reeds lange jaren in het kerspel Spijk heeft gewoond en met zijn gemeente op goede voet en vriendschap verkeert, dat hij echter in deze jaren met vele onheilen en ongelukken bezocht is geworden. In het jaar 1589 was hij gevangen gezet en moest een hoog losgeld betalen. In 1590 werd al zijn hooi door de hoge watervloeden weggespoeld en was zodoende gedwongen om zijn vee bij anderen te laten voederen, wat hem op grote kosten kwam te staan. In hetzelfde jaar stierf zijn huisvrouw, die hem etlyke kleine kynderen naliet. In 1590 was hij in de stad Groningen op straat gevallen en had daarbij ongelukkigerwijze een been gebroken. Hij was daardoor genoodzaakt in de Stad by den mester 17 weken met grote pijn en kosten te verblijven. Vreemden moesten zijn huis verzorgen en hij had zodoende 600 gulden schade geleden.

Al deze ellende was voor de predikant aanleiding om de Gecommiteerden van Groningen en Ommelanden te verzoeken om vrijstelling van belasting. Hij besloot dit in 1595 geschreven verzoekschrift met de woorden:

Sulks doende wert God almachtich myt andere middelen rykelick suppleren.

In 1597 was hij nog in Spijk, die zich in bovenstaande brief reeds iemand met grote olderdom noemt, maar verder zwijgt de geschiedenis over de laatste Spijkster pastor en eerste dominee.